Welkom bij

Schipbeek Dierenartsen

De praktijk

Schipbeek Dierenartsen is een gemengde praktijk, waar we elke dag met veel inzet en plezier werken aan het verbeteren van de gezondheid en het welzijn van uw dieren. Dit doen we met een team van 12 dierenartsen en 13 paraveterinairen. We zijn niet aangesloten bij een keten; 4 van de dierenartsen vormen een maatschap en zijn de eigenaren.  Dus bij ons geen buitenlandse investeerders maar iedereen staat op de werkvloer. Ook kun je bij ons gewoon plat proatn. Nuchter, maar wel met veel kennis en betrokkenheid, zo willen we graag zijn.

Is uw dier groot of klein, wij leveren zorg op maat.

Locaties

Vanuit 3 locaties; Holten, Bathmen en Markelo staan dierenartsen en paraveterinairen klaar om uw dier te behandelen. We werken op afspraak.  Tussen 8 en 17 uur kunt u ons telefonisch bereiken; we zijn ook ’s avonds, ’s nachts en in het weekend bereikbaar voor spoedgevallen. Zie daarvoor ook onder SPOED.

Behandelingen en informatie

Super leuk je hebt er een nieuwe vriend bij! Van harte gefeliciteerd met je nieuwe pup. Je pup zal nu ongeveer 8 tot 10 weken oud zijn voordat hij bij zijn moeder weg mag. In de eerste weken van zijn leven leert hij namelijk al veel sociale vaardigheden van zijn moeder en broertjes en zusjes wat erg belangrijk voor hem is. Ook zal hij al een chip hebben gekregen rond zijn 6e levensweek en zijn eerste puppyvaccinatie waarbij hij door een dierenarts gecontroleerd is. Daarnaast is het ook belangrijk dat hij al een aantal keer ontwormd is bij zijn fokker. Namelijk op 2, 4, 6 weken en misschien ook nog net op 8 weken voor hij door jullie opgehaald werd. Het is belangrijk om dit allemaal te vragen aan de fokker of dit gebeurd is.

En daarna komt hij bij jou wonen! Maar hoe gaat dat precies en waar moet je allemaal aan denken? Daar proberen we je op deze pagina mee op weg te helpen.

Allereerst is het fijn als je je huis hebt voorbereid op de komst van een pup. De omgeving moet natuurlijk veilig zijn voor de pup. Dit betekent dat er geen losliggende kabels moeten liggen of andere dingen waar hij op kan gaan kauwen die niet de bedoeling zijn. Heb je een tuin? Dan is het verstandig om even na te lopen of de tuin omheind is zodat hij niet in een moment van onoplettendheid op avontuur kan gaan. 

Maar ook moeten we alvast wat spulletjes voor de pup in huis halen. Zo moet er een slaapplek voor hem gecreëerd worden. Wil je dat hij leert om in de bench te slapen? Of kies je toch liever voor een mand of kussen. Het is belangrijk dat de pup de eerste weken een plek heeft waar hij ook even kan uitrusten overdag. Daarnaast moet je zorgen voor een goed passende halsband en riem, zodat hij meteen kan leren om aan de lijn te gaan lopen.

Dan is het moment daar. Je pup komt bij je wonen! Weg van zijn mama, een nieuw huisje en nieuwe baasjes. Allemaal nieuwe indrukken waar hij aan zal moeten wennen. Zorg er daarom voor dat rustig is in huis. Laat de eerste dagen niet te veel bezoek langs komen om hem te komen bewonderen. Geef hem lekker de tijd om het huis al snuffelend te ontdekken. Hoe leuk het ook is om de hele dag gezellig met hem samen te spelen en te knuffelen. Het is ook heel belangrijk dat hij voldoende zijn rust en slaap pakt. Een pup tot 6 maanden slaapt zo’n 18-20 uur per dag.

Ook kan de eerste nacht samen erg spannend zijn. De pup moet voor het eerst alleen slapen terwijl hij dat nog niet gewend is. Gebruik een knuffel of doek met de nest geur eraan. Eventueel wil het ook helpen om een kruikje met een dekentje eromheen in de bench te leggen zodat hij daar lekker tegenaan kan gaan liggen. Laat hem zo laat mogelijk nog een behoefte doen buiten, maar de kans is groot dat hij ’s avonds of ’s nachts toch nog begint te piepen. Laat hem dan even kort naar buiten gaan om te zien of hij een plasje moet doen.

Als de pup dan de eerste paar dagen bij je is, is het ook al weer tijd voor zijn 9 weken vaccinatie. Dit is vaak ook de eerste keer dat de pup bij jou dierenarts komt. Je pup wordt helemaal nagekeken en natuurlijk horen we graag hoe de eerste dagen samen zijn gegaan. Bij de controle wordt er extra aandacht geschonken aan de chip van de pup en of deze al correct op jouw naam geregistreerd staat, het gewicht van de pup, er wordt naar de oogjes, oren en het gebitje gekeken. Zijn hartje en longetjes worden beluisterd en zijn buikje doorvoeld. Daarnaast wordt ook zijn naveltje gecheckt en als hij een mannetje is even naar zijn balletjes gekeken. Daarna is het tijd voor zijn vaccinatie. De 9 weken vaccinatie bestaat uit een vaccin met hierin Parvo, Hondenziekte, Hepatitis en Leptospirose. Daarnaast kan er ook gekozen worden voor de Kennelhoest vaccinatie. Dit vaccin wordt extra aanbevolen voor jonge pups omdat hun nog onvoldoende weerstand hebben. Vaak is dit vaccin ook nodig voor de puppycursus.

Bij elke pup raden we aan om op cursus te gaan samen. Ook al heb je al meer honden gehad. Het gaat er niet alleen om dat jij je pup nieuwe truckjes kan leren, je pup leert hier ook heel erg veel sociale vaardigheden. Daarnaast is het ook van belang om je pup te leren wennen aan verschillende omgevingen. Leer hem alleen thuis zijn, neem hem eens mee naar de markt waar het druk is, neem hem mee naar het terras als je dat later ook van plan bent. Allemaal om hem al eens kennis te laten maken met mensen, kinderen, lawaai en andere honden.

Rond de 12 weken is het tijd voor de laatste puppyvaccinatie. Deze keer krijgt hij de “grote cocktail”. Dit vaccin bevat Hondenziekte, Parvo, ziekte van Weil (leptospirose) en de besmettelijke leverziekte (HCC). Daarnaast kunnen we nu ook de Rabiës (Hondsdolheid) vaccinatie geven. Dit vaccin is verplicht om te hebben als je van plan bent met je pup op vakantie te gaan naar het buitenland. Dit vaccin heeft een inwerktijd van 3 weken waarna hij pas geldig is. In deze drie weken mag je nog niet met je pup de grens over. Dit vaccin is drie jaar geldig en kan natuurlijk altijd ook nog op een later moment gegeven worden. Dit is ook de reden waarom pups die uit het buitenland gehaald worden pas vanaf 15 weken de grens mogen oversteken.

In het begin waren we al even begonnen over het ontwormen van de pup. Het is namelijk van belang dat dit regelmatig gebeurt in de eerste periode van het leven van een pup. Als advies wordt eigenlijk gegeven op 2, 4, 6 en 8 weken leeftijd. Daarna is het maandelijks tot een leeftijd van 6 maand. Vervolgens is het advies elke drie maand.

Het is belangrijk om de pup zo vaak te ontwormen omdat de pup al besmet kan worden in de baarmoeder van de moeder of later via de moedermelk. Daarnaast zijn pups ook veel gevoeliger voor wormen dan een volwassen hond omdat hun immuunsysteem nog niet volledig is ontwikkeld. Dit maakt ze vatbaarder en is het dus belangrijk om ze hier extra in te ondersteunen.

Als jouw pup de puppyvaccinaties heeft gehad bieden wij het puppyconsultatiebureau aan. Hiermee proberen wij het gezellig te houden voor de pup om bij ons op de praktijk te komen. Met een snoepje worden ze nog even op de onderzoek tafel gezet. Zo kunnen we de ontwikkeling van het gebit ook goed in de gaten houden en mocht je vragen hebben kunnen we deze beantwoorden. Met een snoepje houden we het gezellig voor de pup om positieve ervaringen te krijgen. De puppyconsulten worden gratis aangeboden door de assistentes.

Super leuk je hebt er een nieuwe vriend bij! Van harte gefeliciteerd met je nieuwe kitten. Je kitten zal nu ongeveer 8 tot 10 weken oud zijn voordat hij bij zijn moeder weg mag. In de eerste weken van zijn leven leert hij namelijk al veel sociale vaardigheden van zijn moeder en broertjes en zusjes wat erg belangrijk voor hem is.

Misschien is hij al eens bij een dierenarts geweest voor zijn eerste vaccinatie rond de 9 weken maar vaak gebeurd dit nog niet. Wel is het belangrijk dat de kitten al ontwormd wordt bij de fokker. Namelijk vanaf een leeftijd van 3 weken elke 2 weken tot 2 weken na het spenen. Daarna mag dit maandelijks tot een leeftijd van zes maanden oud. Hierna kun je overstappen op het ontwormingsschema van een volwassen kat, waarbij de frequentie afhangt van de levensstijl van de kat. Het is belangrijk om dit te vragen aan de fokker of dit gebeurd is.

En daarna komt hij bij jou wonen! Maar hoe gaat dat precies en waar moet je allemaal aan denken? Daar proberen we je op deze pagina mee op weg te helpen.

Allereerst is het fijn als je je huis hebt voorbereid op de komst van een kitten. De omgeving moet natuurlijk veilig zijn voor de kitten. Dit betekent dat er geen losliggende kabels moeten liggen of andere dingen waar hij op kan gaan kauwen die niet de bedoeling zijn. Mag de kitten straks naar buiten? Mag hij dan alleen in je eigen tuin? Of mag hij ook verder op avontuur? Het is verstandig om hier al goed over na te denken en eventueel de tuin op aan te passen. Wil je hem aan een touwtje naar buiten laten als je zelf ook buiten bent of wil je de tuin omheinen waardoor hij niet verder kan? Het is verstandig om dit alvast te regelen voordat de kitten bij je komt wonen.

Maar ook moeten we alvast wat spulletjes voor de kitten in huis halen. Zo moet er een slaapplek voor hem gecreëerd worden. Een fijn kussentje of misschien wel hoog in een krabpaal. Het is belangrijk dat de kitten een plek heeft waar hij zich beschut kan terugtrekken. Ook moeten er voldoende kattenbakken in huis staan voor de kat. Het advies is een kattenbak per kat + eentje extra. Mag de kat ook naar boven? Dan is het fijn om ze over de verschillende verdiepingen te verspreiden.

Dan is het moment daar. Je kitten komt bij je wonen! Weg van zijn mama, een nieuw huisje en nieuwe baasjes. Allemaal nieuwe indrukken waar hij aan zal moeten wennen. Zorg er daarom voor dat rustig is in huis. Laat de eerste dagen niet te veel bezoek langs komen om hem te komen bewonderen. Geef hem lekker de tijd om het huis al onderzoekend te ontdekken. Hoe leuk het ook is om de hele dag gezellig met hem samen te spelen en te knuffelen. Het is ook heel belangrijk dat hij voldoende zijn rust en slaap pakt.

Als de kitten dan de eerste paar dagen bij je is, is het ook al weer tijd voor zijn 9 weken vaccinatie. Dit is vaak ook de eerste keer dat de kitten bij een dierenarts komt. Je kitten wordt helemaal nagekeken en natuurlijk horen we graag hoe de eerste dagen samen zijn gegaan. Bij de controle wordt er extra aandacht geschonken het gewicht van de kitten, er wordt naar de oogjes, oren en het gebitje gekeken. Zijn hartje en longetjes worden beluisterd en zijn buikje doorvoeld. Daarnaast wordt ook zijn naveltje gecheckt en gekeken of het geslacht klopt.
Het chippen van een kat is (nog) niet verplicht in Nederland maar wel sterk aan te bevelen. Mocht het namelijk zo zijn dat in een moment van onoplettendheid hij ervandoor gaat dan kan hij via de chip teruggebracht worden naar jou. Zijn chipnummer wordt geregistreerd in een landelijke databank waardoor iedereen toegang heeft tot deze gegevens op het moment van uitlezen van de chip. Het beste is om deze chip zo vroeg mogelijk te zetten, dan voelt hij er namelijk het minste van.

Daarna is het tijd voor zijn vaccinatie. De 9 weken vaccinatie bestaat uit een vaccin met hierin de kattenziekte en de niesziekte. Daarnaast kan een extra vaccinatie gegeven worden tegen Bordetella bronchiseptica, soms is dit verplicht voor een pension. Ook dit vaccin kan op elk later moment nog extra gegeven worden. Daarnaast kan ervoor gekozen worden om een vaccinatieboekje te laten maken voor je kitten. Hierin worden de vaccinaties bijgehouden en kun je ze zelf thuis inzien. Natuurlijk gebeurt dit ook in ons eigen systeem.

Zo’n 3 á 4 weken later is het tijd voor de laatste enting van je kitten. Hij zal dan nogmaals dezelfde enting krijgen als op de 9 weken. Hierna is een jaarlijkse enting voldoende. Mocht je van plan zijn om je kat mee te nemen op vakantie naar het buitenland dan is ook voor hem de Rabiës vaccinatie verplicht. Dit vaccin heeft een inwerktijd van 3 weken waarna hij pas geldig is. In deze drie weken mag je nog niet met je kitten de grens over. Dit vaccin is drie jaar geldig en kan natuurlijk altijd ook nog op een later moment gegeven worden. Dit is ook de reden waarom kittens die uit het buitenland gehaald worden pas vanaf 15 weken de grens mogen oversteken.

Het moeilijkste moment in het leven van je trouwe maatje. We weten allemaal dat het moment ooit zal komen maar opeens is het toch wel heel dichtbij. Je ziet dat hij achteruitgaat en hij niet meer de vrolijke en energieke vriend is die hij altijd is geweest. Maar je vraagt jezelf ook af of dit al wel het juiste moment is. Je wilt hem niet laten lijden maar je wilt ook zo lang mogelijk met hem samen blijven. Dit zorgt voor een innerlijke strijd waarbij we je graag willen ondersteunen.

Op de vraag: “Is dit het juiste moment?” is geen eenduidig antwoord.
Een dier kan oud en op zijn maar ook jong en misschien wel ziek waarbij de behandeling niet het gehoopte resultaat geeft. De kwaliteit van het leven van je maatje bepaald of het juiste moment nadert. Maar ook dit is lastig subjectief te beoordelen. Daarom zijn er een vijftal vrijheden geformuleerd voor een dier.
Een dier moet vrij zijn van:
               1. Van dorst, honger en onjuiste voeding
                2. Van fysieke en fysiologisch ongerief
               3. Van pijn, verwondingen en ziektes
               4. Van angst en chronisch stress
               5. Om hun natuurlijke (soorteigen) gedrag te vertonen

Samengevat als:
“eten, drinken, vrolijk zijn en geschikt zijn als huisdier”
(Hugo van Duijn)

Dan kan het moment aanbreken waarop het beter is om een aftakelend dier te euthanaseren. Hierbij kun je mensen uit je omgeving om advies vragen, en natuurlijk ook bij ons terecht om erover te praten. Maar het moment moet je zelf bepalen. Wij kunnen namelijk niet bepalen of je er zelf ook aan toe bent en het hebt geaccepteerd. Het is goed om te realiseren dat het optimale, beste, juiste of enige moment niet bestaat. Wat wel belangrijk is om te realiseren is dat het moment ook te laat kan zijn geweest. Je dier heeft toch onnodig geleden, omdat je er zelf bijvoorbeeld nog niet aan toe bent. Hou in je achterhoofd dat het beter is voor je dier om beter een week te vroeg te zijn, dan een uur te laat.

Wat we bij veel eigenaren merken is dat ze zich schuldig voelen tegenover hun maatje om de beslissing over hun te nemen om zijn leven te beëindigen. Maar weet hierbij dat wij als dierenartsen heel erg blij zijn met de mogelijkheid dat we dieren mogen laten inslapen om ze hierbij een langere lijdensweg te besparen.  

Mocht u vragen hebben omtrent de situatie van uw dier en wilt u hier graag eens over praten om een objectief advies te krijgen dan kunt u altijd een afspraak maken bij ons. Zien wij nog andere mogelijkheden voor uw dier dan zullen wij dat ook zeker aangeven.

We wensen u alvast veel sterkte.

Er zijn ziektes waartegen een hond gevaccineerd kan worden, namelijk:

  • Hondenziekte (Distemper)
    Dit is een besmettelijk virus (Canine Distemper Virus) wat ernstige symptomen kan veroorzaken van de luchtwegen, maagdarm kanaal en zelfs neurologische klachten. Het virus wordt voornamelijk via de lucht Symptomen kunnen zijn: hoesten, diarree, epileptische aanvallen en verlammingen. Voor het virus zelf is geen behandeling mogelijk. We kunnen alleen het dier ondersteunen met een therapie. Het beste is besmetting voorkomen door middel van vaccinatie.
  • Parvovirus
    Is een zeer besmettelijk virus die voornamelijk gevaarlijk is voor puppies en jonge honden. De honden krijgen last van ernstig braken en diarree wat kan leiden tot hartproblemen en zelfs shock. Met intensieve ondersteuning kunnen de meeste honden erdoor heen komen. Een goede hygiëne is van uiterst belang.
  • Besmettelijke leverziekte (Hepatitis contagiosa canis)
    Ook deze ziekte wordt veroorzaakt door een virus. De symptomen zijn koorts, geelzucht en sloomheid. Het virus zorgt voornamelijk in de lever en nieren voor problemen en kan zelfs de ogen aantasten. Met name voor pups is ook deze ziekte erg gevaar en kan soms fataal zijn. Het virus wordt overgedragen via urine, speeksel en ontlasting van besmette honden.
  • Leptospirose (ziekte van Weil)


Het is erg belangrijk om je hond jaarlijks te laten vaccineren. Met het vaccineren worden ze beschermd tegen verschillende hondenziektes zoals het Parvo virus, de besmettelijke leverziekte, hondenziekte en Leptospirose (Ziekte van Weil). Van deze ziekten kan een hond erg ziek worden en in ernstige gevallen zelfs overleiden. Daarnaast kan de Leptospirose ook gevaarlijk zijn voor mensen. Met de inentingen wordt getracht het dier te beschermen tegen de ziekten, de symptomen te verminderen en de verspreiding tussen andere honden te voorkomen.

Varkensbedrijven binnen onze praktijk worden regelmatig bezocht. Hierbij wordt een beeld gevormd van de gezondheid van de aanwezige dieren. Dit is niet alleen in het belang van de eigenaar, maar gelijktijdig ook een controle op eventuele aanwezige symptomen van een veewetziekte zoals bijvoorbeeld klassieke varkenspest.

Een ander onderdeel van dit bezoek is het bespreken van enkele kengetallen, uitslagen van een laboratorium van bv. bloed- en/of mestmonsters, resultaten van gebruikte medicatie en andere technische gegevens en het implementeren van deze feiten.

Overleg met de handelaar, voorlichter van de veevoederindustrie of fokkerij-organisatie behoort ook tot de activiteiten

Binnen onze rundveepraktijk onderscheiden we melkvee, vleesvee, zoogkoeien en hobbydieren.

Naast het behandelen van zieke dieren en het doen van verlossingen en keizersneden, bestaan onze werkzaamheden ook uit maatregelen gericht op preventie van ziekten en het verbeteren/optimaliseren van de productie.

Middels periodieke bedrijfsbezoeken, aangestuurd door de zuivelketens, voeren wij controles uit betreffende de diergezondheid op melkvee bedrijven. Hierbij nemen ook welzijnsaspecten een steeds belangrijkere plaats in.

Vruchtbaarheidsbegeleiding, die in onze praktijk gedaan wordt met behulp van Echografie (scanner), gaat indien gewenst vergezeld van een stuk data-analyse, waarbij vruchtbaarheidskengetallen, productie en uiergezondheid onder de loep genomen worden.

Via dierziektebestijdingsprogramma’s trachten we (al of niet in samenwerking met de Gezondheidsdienst voor Dieren) specifieke problemen/ziekten op te lossen. Hierbij is een protocollaire aanpak van de problemen belangrijk.

Wat betreft de chirurgie beschikt onze praktijk over moderne middelen. Lebmaagdislocaties kunnen uitgevoerd worden middels laparoscopie(kijkoperatie), door welke techniek de gevolgen voor het dier worden geminimaliseerd (geen grote operatiewond) en de kans op succes wordt gemaximaliseerd.

De kleine herkauwers, zoals schapen en geiten ook wel genoemd worden, worden zowel hobbymatig als professioneel gehouden, het geen een diversiteit mee brengt in benadering. Zowel voor de hobbydieren als de beroepsmatig gehouden dieren verlenen wij passende zorg zoals:

  • Verloskundige hulp
  • Behandeling van zieke dieren
  • Ontwormingsadviezen
  • Klauwverzorging en advisering
  • Voedingsadviezen
  • Bedrijfsbegeleiding van melkgeitenbedrijven
  • Vaccinaties: bijvoorbeeld tegen blue tongue, rotkreupel, het bloed, pasteurellose, Q-koorts en paratbc


Georganiseerde dierziektebestrijding:

  • Schaap: zwoegerziekte en scrapie
  • Geit: CAE en CL

Voor de behandeling van uw paard, pony of ezel, kunt bij ons terecht. Naast veterinaire zorg hechten wij veel waarde aan de advisering van U als eigenaar. Dit is met name van belang als een stuk nazorg moet geschieden in vervolg op een ingestelde behandeling.

Wat wij zo al voor U verzorgen :

  • Vaccinaties
  • Ontwormingsadviezen: Waarmee en hoe vaak moet uw paard of pony ontwormd worden. Dit is sterk afhankelijk van de manier waarop uw dier gehouden wordt. Voor elk dier kunnen wij een stukje maatwerk leveren
  • Voedings adviezen: Bij verteringsstoornissen, chronische diarree, steeds terugkerende koliekverschijnselen, en oudere paarden met gebitsproblemen of opgroeiende dieren met groei achterstand.
  • Vruchtbaarheidsbegeleiding: Bij U thuis of bij de hengstenhouder verzorgen wij graag de begeleiding van uw merrie tijdens het drachtig worden.
  • Kreupelheidsonderzoek
  • Wond behandeling: Na passende eerste hulp, zullen wij U zorgvuldig begeleiden bij de soms langdurige nazorg thuis.
  • Klinische keuringen
  • Werkzaamheden worden door ons verricht op locatie.

Koliek bij het paard is eigenlijk een verzamelnaam voor alle soorten buikpijn bij paarden. De oorzaken zijn divers en wisselend in ernst. Grofweg kan “ware” koliek veroorzaakt worden door problemen met de voeding, vertering, maagproblemen, bacteriën en wormen. De oorzaak van koliek ligt dan in het maagdarmkanaal (slokdarm, maag, dunne darm, blinde darm, dikke darm). Daarnaast bestaat er ook nog “valse koliek”, hiervan liggen de oorzaken buiten het darmkanaal. De oorzaak, ernst en behandeling hangen af van het type koliek, maar het snel herkennen van koliek is cruciaal!

Stap 1: Herken de signalen van koliek

Hoofdsignalen

Afwijkend gedrag

–        Flehmen

–        Onrust of juist meer liggen

–        Gapen

–        Afwijkende lighouding (plat/rug)

–        Schudden met het hoofd

–        Zuchten, kreunen, knarsetanden

–        Afhangende oren of platleggen

–        Rollen en schrapen

–        Strakke gezichtsspieren

–        Naar buik kijken en/of trappen

–        Starende of glazige blik

–        Gestrekt staan

–        Wijde neusgaten

–        Veel zweten

 

Stap 2: Overleg met een van onze dierenartsen
Overleg bij koliekverschijnselen altijd met de dierenarts! Het kan daarbij helpen om op voorhand een inschatting te maken van de mate van koliek door de volgende informatie te verzamelen:

  • Welke koliek verschijnselen u ziet u en hoe lang deze al aanwezig zijn.
  • Wanneer het paard voor het laatst gegeten en gemest heeft.
  • Hoe de mest er uit ziet (normale hoeveelheid en vorm?).
  • Veranderingen in management de afgelopen periode (weide, stalling, trainingen, voer).
  • Wanneer paard voor het laatst ontwormd is en met welk middel.
  • Of het paard drachtig is en hoe lang.

Als het lukt (let op uw eigen veiligheid!) kunt u uw paard alvast temperaturen, de kleur van de slijmvliezen (binnenkant lip of ooglid), de hartslag en ademhaling per minuut bepalen.

Stap 3: Wat u kunt doen tot de dierenarts er is
Indien de koliek zo heftig is dat u niet veilig in de buurt kan komen, doe dan niks!

  • Zorg dat uw paard niet meer kan eten, maar wel kan drinken.
  • Zet uw paard in een veilige omgeving waar hij/zij zich niet kan bezeren.
  • Ga géén uren stappen, maar 15 minuten kan bij sommige koliek helpen.
  • Hou in de gaten of de kolieksymptomen veranderen tot de dierenarts er is.
  • Geef geen orale supplementen, tenzij de dierenarts anders adviseert.

Stap 4: Onderzoek door de dierenarts
Op locatie zal de dierenarts uw paard onderzoeken om de oorzaak van koliek te achterhalen en te behandelen. Meestal lukt het om de koliek op locatie te behandelen. Soms is de koliek echter zo heftig, of reageert het paard niet op de behandeling dat doorsturen naar een paardenkliniek nodig is voor verder onderzoek. Uiteraard zal uw dierenarts dat dan met u bespreken.

Meest voorkomende soorten van koliek:
Verstoppingskoliek
Hierbij is de dikke darm van het paard verstopt, meestal door stro. Er is sprake van gedeeltelijke of volledige blokkering van de darm waardoor er dus geen of nauwelijks mest kan passeren. Oorzaken zijn o.a. te veel of erg droog ruwvoer (zoals stro en langstengelig hooi), te weinig water drinken of te weinig beweging. Dit zien we met name in perioden van op stal staan, bij blessures en bij koud weer. Symptomen zijn vaak van milde aard waarbij er sprake is van minder mesten, droge mest en minder darmgeluid. De dierenarts kan (indien dit veilig kan) rectaal de verstopping kunnen voelen. Verstoppingskoliek is meestal te behandelen d.m.v. het geven van een pijnstilling en darmontspanner en het sonderen met vocht en olie. Deze vorm van koliek is veelal te voorkomen door het geven van voldoende ruwvoer en onbeperkt (niet ijskoud!) drinkwater, voldoende dagelijkse beweging en het rustig introduceren van voerveranderingen.

Gaskoliek
Hierbij is er sprake van teveel gas in de dikke darm waardoor deze op spanning staat en minder goed kan bewegen. Paarden verteren hun voeding m.b.v. bacteriën door middel van fermentatie waarbij gas ontstaat. Een te hoge suikeropname of voerveranderingen kunnen zorgen voor te veel gasproductie en dus koliek. Gaskoliek zien we dan nog wel eens in het voorjaar (suikerrijk voorjaarsgras), in de winter na nachtvorst met een zomerse winterdag erna en bij voerveranderingen. Het paard toont zicht vaak met een opgezette buik. De dierenarts hoort bij de buikauscultatie te veel gas. Het risico van gaskoliek is dat een met gasgevulde darm verandert van ligging of beschadigd kan raken door uitrekking. De dierenarts zal in eerste instantie vaak behandelen met een darmontspanner en pijnstilling. Indien nodig wordt uw paard (in overleg) doorgestuurd naar de kliniek voor het aanprikken van de darm of voor een operatie. Gaskoliek is te voorkomen door de suikeropname te beperken en geen plotselinge voerveranderingen te doen.

Zandkoliek
Bij zandkoliek zit de dikke darm vol met zand waardoor de darmen minder kunnen bewegen en er verteringsproblemen ontstaan. Zandkoliek kan ontstaan bij grazen op kale weides, zanderig hooi/kuil, het voeren van ruwvoer op een paddock en door zandeten t.g.v. verveling. Bij zandkoliek heeft het paard vaak last van (wisselende) diarree, lusteloosheid, een opgezette buik en vermagering (indien langdurig). Zandkoliek zelf kan zorgen voor verstoppingskoliek, gaskoliek of krampkoliek! U kunt op locatie zelf regelmatig de mest controleren op zand (of laten testen door uw dierenarts). De definitieve diagnose kan alleen gesteld worden m.b.v. een röntgenfoto op een paardenkliniek. Ook bij deze vorm van koliek zal de dierenarts in eerste instantie vaak behandelen met een pijnstiller en darmpontspanner. Daarnaast kan er gesondeerd worden met vocht en olie om het zand in beweging te krijgen. Vaak wordt er daarna geadviseerd om een psylliumkuur te geven, voldoende ruwvoer te geven en opname van zand te voorkomen. Mocht dit allemaal niet baten, dan is een operatie bij een paardenkliniek nodig.

Krampkoliek
Deze vorm van koliek komt vaak tegelijktijdig voor met de andere vormen van koliek. Er is dan sprake van verkramping van de darmen. Vaak is de koliek mild. De oorzaak van krampkoliek is divers en kunnen we grofweg onderverdelen in voerveranderingen en stress (en worminfecties). Denk bij voerveranderingen aan de snelheid van verandering, grote hoeveelheden van bijvoorbeeld wortels of snoepjes en aan “iets verkeerds gegeten hebben”. Veel voorkomende oorzaken van stress zijn verhuizing, transport en zware trainingen. Wandelen zorgt vaak voor verlichting van de kram. Indien de kramp blijft ontstaan zal de dierenarts vaak eerst behandelen met een darmontspanner. Zorg ter voorkoming van deze koliek voor regelmaat, gebalanceerd trainingsschema en een goed wormmanagement.

Liggingsveranderingen
Bij een paard ligt het grootste gedeelte van de darmen los in de buik waardoor verplaatsingen, draaiingen en zelfs instulpingen mogelijk zijn. De prognose hangt af van de ernst van de liggingsverandering en/of afknelling van de darm. Een afknellende darm is zeer gevaarlijk omdat dit snel kan zorgen voor ernstige schade. Indien de dierenarts op locatie vermoed dat dit de oorzaak is van koliek wordt uw paard (in overleg met u) doorgestuurd naar een paardenkliniek voor aanvullend rectaal onderzoek, een echo en indien nodig een operatie.

Maagproblemen
Problemen met de maag kunnen ontstaan door overlading of zweren. Maagzweren zijn een veel voorkomend probleem waarbij de klachten vaak erg afwisselend zijn. Hierbij zit er een pijnlijke wond in de maagwand. Koliek is een van de symptomen die gezien kan worden. Daarnaast kan er o.a. sprake zijn van verminderd presteren, slecht eten, singelnijd en gedragsveranderingen. Indien de dierenarts maagzweren vermoed zal hij/zij u doorverwijzen naar een paardenkliniek voor een maagscopie. Het risico op maagzweren kunt u verminderen door zoveel mogelijk weidegang, maximaal 4-6 uur vasten (denk aan ’s nachts!), bij een intensieve training minimaal 2 dagen/week rust te geven, ruwvoer te geven voor de training en tijdens transport, een slowfeeder te gebruiken en niet overdadig krachtvoer te geven.

Tips & Tricks om koliek te voorkomen

  • Voeding
    • Voer veranderingen in voer langzaam door (minstens 14 dagen!)
    • Geef eerst ruwvoer, daarna pas krachtvoer.
    • Geef veel & kleine porties ruwvoer (slowfeeder), maximaal 6 uur zonder!
    • Laat een ruwvoeranalyse doen zodat je weet wat je voert.
    • Zie je schimmel, gooi dan de hele baal weg i.v.m. schimmelsporen.
    • Geef niet onnodig brok/graan/muesli.
    • Geef krachtvoer verdeeld in 4x/dag (per dag max. 2,5kg/500kg paard).
    • Geef ruwvoer voordat je gaat trainen met je paard.
    • Geef gedoseerd aanvullende mineralen bij geen/weinig krachtvoer gift.
    • Voer ruwvoer nooit op of boven zand of zanderige weide.
    • Laat de weide niet te kaal grazen (<5cm), pas strookbegrazing toe indien mogelijk.
    • Geef maandelijks een preventieve zandweg kuur (psyllium) 0,5-1g/kg paard.
    • Laat uw paard op een ander terrein geen gras eten om te voorkomen dat een wormbesmetting mee naar huis wordt genomen.
    • Geef ruwvoer (of gras) tijdens transport of lange buitenrit.
  • Water
    • Zorg dat uw paard altijd over vers & schoon drinkwater beschikt.
    • Zorg drink- en eetplaats bij elkaar in de buurt zijn.
    • Warm water het liefst op tot 19 graden bij koud weer.
    • Indien sloot- of grondwater gebruikt wordt, laat dit 2x/jaar testen.
  • Mest
    • Zorg dat u 1x/maand de mest test of laat testen op zand.
    • Paarden ouder dan 4 jaar: 3-4x/jaar individueel mestonderzoek op wormen vanaf maart t/m september. Op advies ontwormen en na 2 weken onderzoek herhalen.
    • Paarden Jonger dan 4 jaar via vast schema ontwormen in overleg met uw dierenarts.
    • Rond december standaard ontwormen tegen lintwormen en horzellarven.
    • Ga verstandig om met ontwormingsmiddelen i.v.m. resistentieontwikkeling!
    • Laat ontwormde paarden minimaal 3 dagen van de weide en voer deze mest af.
  • Management
    • Nieuw paard: apart zetten, mestonderzoek en 2 weken na behandeling in de kudde.
    • Geef indien mogelijk zoveel mogelijk weidegang.
    • Zorg voor minimaal 2 dagen rust van training/week.
    • Laat een NVVGP gecertificeerde paardentandarts minimaal 1x/jaar het gebit controleren (vaker bij problemen of tussen de 2 en 5 jaar i.v.m. wisselen).
    • Verwijder regelmatig mest (3x/week) en giftige planten uit de weide!
    • Stress zoveel mogelijk vermijden.
    • Zorg voor sociaal contact met soortgenoten.
    • Verander het management zo weinig mogelijk!

De ovacyte voert bij ons op de praktijk de mestonderzoeken uit voor paarden, schapen en runderen. Dit apparaat kan namelijk volledig geautomatiseerd en betrouwbaar een mestmonster onderzoeken. De ovacyte kan verschillende soorten wormeneieren van elkaar onderscheiden en herkennen die in de mest aanwezig zijn.

Nadat een mestmonster in het apparaat is gestopt worden binnen enkele minuten de verschillende soorten wormeieren apart geteld. Hieruit volgt dan een EPG, dit getal staat voor het aantal wormeitjes dat per gram mest aanwezig is. Als de soorten wormeieren en de hoeveelheid aanwezige eitjes in de mest bekend zijn kunnen we hierop een passende ontworming voor het dier inzetten.  Door op deze manier te ontwormen wordt de mate van resistentie ontwikkeling in de wormen verminderd. We kunnen namelijk gerichter behandelen en goed de keuze overwegen of ontwormen ook echt noodzakelijk is.

Juist wormenonderzoek en ontwormen zijn bij paarden erg belangrijk. Veel paarden worden met meerdere dieren op kleine stukken land gehouden waardoor een besmetting snel kan oplopen. Wormen kunnen zorgen voor diarree, koliek, bloedarmoede, vermagering en groeiachterstanden.

De meeste wormen bij het paard zitten in het spijsverteringsstelsel. In de darmen worden dan ook nieuwe eitjes gelegd die met de mest op het land of in de stal komen. Uiteindelijk komen er uit deze eitjes larven die ook weer andere paarden kunnen besmetten.
Bij het paard kennen we een aantal worden die geregeld voorkomen

  • Veulenworm (Strongyloides westri)
    Deze worm vormt alleen een probleem voor veulens. Dit komt omdat als het veulen ouder wordt het hier immuniteit tegen ontwikkelt en er niet meer gevoelig voor is. Dit gebeurt ongeveer op een leeftijd van 6 maanden.
    De worm wordt opgenomen door het veulen doordat het via de mond naar binnen komt of via de moedermelk van de merrie. Na opname migreren de larven door verschillende organen naar de longen toe. In de longen worden de wormen opgehoest en vervolgens weer ingeslikt waardoor ze in de darmen terecht komen. Vaak krijgen veulens problemen rond dag 10. Ze kunnen dan last krijgen van diarree, een gebrek hebben aan eetlust, vermageren of zelfs gewicht verliezen. Door mest onderzoek uit te voeren van het veulen kan de worm aangetoond worden en vervolgens behandeld worden. Een infectie kan voorkomen worden door een drachtige merrie vlak voor het veulenen te behandelen. Zonder reden is het vaak onnodig om een jong veulen te ontwormen.
  • Spoelworm (Parascaris equorum)
    Deze worm zien we vooral bij veulens tot een leeftijd van ongeveer één jaar oud. De spoelwormen kunnen wel tot 40 centimeter lang worden. Ook deze eieren worden opgenomen uit de omgeving. Via een trektocht door het lichaam komen de wormen in de longen terecht waar ze zorgen voor hoesten, neusuitvloeiing, lusteloosheid en vermageren. Door het ophoesten en doorslikken komen ook deze wormen in de dunne darm terecht. Grote hoeveelheden wormen kunnen zorgen voor een verstopping. Ook tegen deze worm bouwt het paard uiteindelijk een goede immuniteit op.
    Belangrijk is om veulens vanaf 2,5 maand leeftijd te onderzoeken op de aanwezigheid van deze eitjes.
  • Rode Bloedworm / kleine strongyliden (Cyathostominae)
    De rode bloedworm wordt voornamelijk gezien bij de jonge dieren tussen de één en drie jaar oud. De opgenomen larven kunnen zich innestelen in de slijmlaag van de dikke en de blinde darm. Vervolgens gaan ze in een rust stadium. Als de larven in de winter uit de ruststand komen worden de paarden ziek. Ze vermageren, krijgen een doffe vacht en kunnen diarree en zelfs koliek krijgen. Belangrijk is om voor deze worm mestonderzoek te doen voor het weideseizoen begint of in maart als de paarden altijd buiten staan.
  • Grote strongyliden (Strongylus vulgaris)
    Als de larven worden opgenomen trekken ze door de darmwand heen naar de kleinere bloedvaatjes. Uiteindelijk komen ze uit bij grotere slagaders in de ophangbanden van de darmen. De paarden worden vooral ziek door de bloedvaatjes die beschadigd raken, dit verstoort namelijk de bloedvoorziening van de darmen. Dit kan resulteren in koliek.
    Deze wormen komen minder voor dan vroeger.
  • Lintworm (Anoplochephala perfoliata)
    De lintworm wordt via een mijt overgebracht. Deze mosmijt komt met name in het najaar op de weide voor. De lintwormkop zuigt zich vast aan de darmwand en wordt steeds langer. Ondertussen produceert ze ook eieren. De stukjes lintworm, ook wel geledingen genoemd, komen in de mest terecht met hierin de wormeneitjes. Lintwormeitjes worden niet constant in de mest uitgescheiden, waardoor ze niet altijd gevonden worden in een mestonderzoek. Het is daarom verstandig om alle paarden een keer per jaar tegen lintwormen te ontwormen.

Daarnaast worden paarden ook ontwormd tegen de horzellarven.
Horzels zijn insecten die kleine gele eitjes leggen. Deze eitjes worden vaak in de maand augustus op de benen van paarden gevonden. De horzel zelf kan niet steken, maar er bestaat veel verwarring met de dazen die in de volksmond ook horzels worden genoemd. Voor de paarden kennen we drie verschillende soorten horzels die op verschillende plekken in het lichaam gaan zitten.
– Gasterophilus intestinalis, van deze horzel gaan de larven vooral aan de maagwand zitten.
– Gasterophilus nasalis, hiervan beginnen de larven in de neusholte.
– Gasterophilus haemorrhoidalis, de larven van deze horzel beginnen in de lippen en eindigen meestal in de maag of darmen.

Een volwassen paardenhorzel legt de kleine gele eitjes op de benen, flanken en manen van het paard. Deze eitjes worden door het paard opgelikt. Uiteindelijk scheidt een paard de larven uit. Allereerst blijven de larven een week of vier in het mondslijmvlies van het paard. Daarna gaan ze door naar de maag en hechten ze zich hier vast in de maagwand om na ongeveer driekwart jaar, in het voorjaar, los te laten en in de mest te komen. De larven graven zich in de grond en worden hier uiteindelijk een volwassen horzel.

Paarden kunnen erg ziek worden van deze horzellarven.  Ze kunnen een ontsteking krijgen aan de mond, tong of aan hun maag. Ook vermageren ze vaak sterk doordat ze minder zin hebben om te eten. Ook kan het leiden tot bloedarmoede en diarree en ook zelfs tot koliek. Besmette paarden staan vaak te gapen.

Een infectie wordt bestreden met ontwormmiddelen. Dit dient bij voorkeur in het najaar en de winter te gebeuren.

Influenza-tetanus vaccinatie

Per 1 april 2024 is het verplicht om alle paarden te vaccineren met een basis vaccinatie bestaande uit drie vaccinaties. Deze regel geld zowel voor veulens en jonge paarden die voor het eerst in hun leven geënt worden als voor paarden die in hun leven al eens gevaccineerd zijn geweest maar te laat zijn voor hun herhaling.
Paarden vanaf zes maand oud kunnen gevaccineerd worden tegen paardeninfluenza om de klinische verschijnselen en de virusuitscheiding na een infectie te voorkomen. In het combinatie vaccin zit ook de vaccinatie tegen tetanus. Door dit vaccin wordt het paard actief immuun tegen de tetanus bacterie en zal hierdoor niet sterven als het hiermee in contact komt.

De eerste vaccinatie kan gezet worden vanaf zes maanden leeftijd. Een tweede basisvaccinatie kan gezet worden na minimaal 21 en maximaal 60 dagen na de eerste vaccinatie. Tussen de tweede en het derde vaccinatie moet minimaal 120 dagen en maximaal 6 maanden  en 21 dagen zitten.

Mocht je met je paard wedstrijden starten dan is het belangrijk om te weten dat je niet mag starten in de periode tussen de eerste en de tweede vaccinatie. In de periode tussen de tweede en de derde vaccinatie mag gestart worden mits de vaccinatie minimaal zeven dagen voor de wedstrijddag is toegediend.

Daarna is het belangrijk om binnen het jaar de jaarlijkse vervolgvaccinatie te geven.

Bij het geven van de influenza-tetanus vaccinatie kan er gekozen worden om het vaccin te nemen waar beide pathogenen in zitten, maar er kan ook voor gekozen worden om alleen de influenza te geven. De tetanus vaccinatie hoeft namelijk niet bij de derde boostervaccinatie gegeven te worden. Daarnaast hoeft deze ook niet jaarlijks bij gegeven te worden. Om het jaar is hierbij voldoende.

Voor elke vaccinatie geld dat het niet is toegestaan om binnen 7 dagen na het geven van de vaccinatie te starten op wedstrijd.

Rhinopneumonie vaccinatie

Rhinopneumonie wordt veroorzaakt door het Equine Herpes Virus (EHV). Hierbij zijn verschillende varianten die het paard ziek kunnen maken. Deze verschillende varianten zorgen ook voor verschillende symptomen. Als rhinopneumonie wordt vermoed of aangetoond is er vaak sprake van een uitbraak omdat er meerder paarden op stal vergelijkbare verschijnselen vertonen.

De verkoudheidsvorm zorgt voor hoesten met of zonder een heldere neusuitvloeiing. Paarden kunnen hierbij ook dikke benen krijgen en een wisselende verhoogde lichaamstemperatuur. Ook zijn ze vaak wat slomer en hebben ze minder eetlust. Vaak zijn deze symptomen binnen een week weer verdwenen.

De abortusvorm wordt veroorzaakt door EHV1. Een drachtige merrie wordt dan besmet met het rhino virus. Afhankelijk van het stadium van de dracht dat een paard geïnfecteerd wordt met het EHV virus zal het leiden tot het aborteren van dode vrucht of kan er toch nog een levend veulentje geboren worden. In deze gevallen zijn de veulens erg slap waardoor ze niet of nauwelijks kunnen staan, ze te weinig drinken en vaak binnen enkele dagen overleiden.

Bij de neurologische vorm zorgt het EHV virus voor Equine Herpesvirus Myelo-encephalopathie. Hierbij wordt het centrale zenuwstelsel aangetast door het virus. Vaak hebben deze paarden een slechte coördinatie van de benen of komen verlamming voor. Gelukkig komt deze vorm maar weinig voor.

Het is mogelijk om paarden te vaccineren tegen het EHV virus. Dit virus heeft alleen een aantal eigenschappen waardoor er maar een slechte afweer in het lichaam van het gevaccineerde paard op gang komt. Hierdoor zijn de vaccinaties tegen EHV-virussen maar kort werkzaam. Ook heeft het virus de eigenschap om altijd slapend in het lichaam van het paard aanwezig te blijven. Als de weerstand van het dier dan verlaagd is door andere redenen kan het virus weer de kop op steken.

In het EHV vaccin zitten EHV type 1 en type 4. Door te vaccineren met deze stammen wordt er een actieve immunisatie in het lichaam opgewekt waardoor de ernst van de respiratoire ziekteverschijnselen afneemt. Als een drachtige merrie wordt gevaccineerd wordt de kans op abortus verminderd.
De basisvaccinatie kan gegeven worden vanaf een leeftijd van 3-4 maanden. De basisvaccinatie bestaat uit twee vaccinaties met hiertussen een periode van 4-6 weken. Daarnaast vind de herhalingsvaccinatie half jaarlijks plaats.
Wordt de vaccinatie gebruikt om de kans op abortus bij een drachtige merrie te verminderen dan kan het vaccin ingezet worden in de 5e, 7e en 9e maand van iedere dracht.